Afgelopen dinsdag sprak ik met Joyce Schoon, Diaconaal consulent van de PKN in Gouda. In haar vrije tijd maakt ze voorstellingen met een levensbeschouwelijke inslag. Ik ben benieuwd wat haar drijft en wat ze hoopt me te geven aan haar publiek.

Joyce, kun je wat over jezelf vertellen?

“Ik ben bijna 49. Ik ben getrouwd en we hebben twee kinderen. Ik woon al achttien jaar in Gouda. We zijn naar Gouda gekomen, toen ik hoog zwanger was van de oudste. De jaren daarvoor hebben we drie jaar in Roemenië gewoond en gewerkt. In Roemenië hebben we gewerkt met straat kinderen, vrijwilligerswerk vanuit een stichting. Voor die tijd heb ik Culturele Antropologie gestudeerd.

Ik ben opgegroeid in Israël. Met mijn ouders heb ik daar in een christelijk dorp gewoond en daar heb ik mijn hele basisschooltijd doorgebracht. Als mensen vragen wie ik ben, vertel ik dat , omdat het mij gevormd heeft tot wie ik nu ben, bijvoorbeeld in dat ik me interesseer in andere culturen. Ik denk graag breed en hou niet van hokjes en grenzen.”

Hoe kwam het dat jouw ouders in Israël gingen wonen?  

“Zij zijn in het christelijke dorp ‘Nes Ammim’ gaan wonen dat in de jaren ’60 werd opgericht in Israël. Dat is destijds opgericht als teken van verzoening , omdat het christendom door de tijd heen veel ellende heeft veroorzaakt voor het Jodendom. Het was een dorp waar christenen woonden, niet met het idee om mensen te bekeren, maar gewoon om in vrede naast elkaar te leven. De afgelopen dertig jaar is de situatie in Israël natuurlijk veranderd. Er is een schrijnend conflict gaande met de Palestijnen. Tegenwoordig is het dorp een plek waar de dialoog wordt gevoerd door Joden, christenen én Palestijnen.”

Je woont inmiddels weer in Nederland, hoe is dat zo gekomen?

“Mijn vader werkte als dominee in de gemeenschap.  Een gemeenschap van zo’n 200 mensen, dus dat was erg leuk om in op te groeien. Iedereen kende elkaar, maar toen zijn tijd erop zat gingen we weer terug naar Nederland. Ik moest toen ook naar de middelbare school, dus dat leek een mooi moment om terug te keren naar Nederland. Ik denk dat mijn kindertijd een grote invloed heeft gehad op mijn studiekeuze voor Culturele Antropologie en ook de latere keuze van mijn man en ik om in Roemenië te gaan werken.”

Ik ben vrijdag bij de voorstelling “Stem van zand en sterren” geweest, hoe kwam je erbij om dit stuk te maken?

“ We wilden dit stuk maken, omdat Isaac en Rebekka een soort tussengeneratie zijn. Isaac zit tussen Abraham en Jacob in en is een beetje de ‘loser figuur’ van de drie generaties. Hij wordt bijna geofferd door zijn vader, hij wordt bedrogen door zijn zoons. Maar wij vonden Isaac juist ook een interessant persoon, want wie is hij nu eigenlijk, hoe heeft hij zelf al die gebeurtenissen beleefd? Daarnaast bevinden we onszelf in de levensfase van ‘tussengeneratie”: onze ouders worden ouder , hebben soms meer zorg nodig en onze kinderen groeien op. We wilden eigenlijk een stuk maken over de moeilijkheden van de tussengeneratie; hoe ga je om met wat je hebt meegekregen en wat geef je door?”

 

“Ik hoop in de eerste plaats dat mensen zich in het stuk zullen herkennen en dat er iets resoneert. Dat je woorden geeft aan gevoelens die mensen herkennen. Ik vind het een leuke uitdaging om zo’n stokoud Bijbelverhaal te gebruiken voor een theaterstuk. Dat je zo’n verhaal weer relevant maakt en dat mensen zien dat het nog steeds ergens over gaat. “

Er zit dus een hele persoonlijke kant aan het stuk?

“Ja, bijvoorbeeld in het feit dat Isaac in ons stuk dement is, in de bijbel is hij blind dus dat heb ik ruim geïnterpreteerd. Onze Isaac ziet het allemaal niet meer zo voor zich. Dat vond ik het stuk interessanter maken, want nu vertelt Rebekka hun leven weer aan hem. Mijn eigen moeder is de afgelopen jaren gedementeerd, dus ik heb dat van dichtbij meegemaakt. Ik leg er wat van mezelf in. Dat is voor mij ook een manier om dat te verwerken en om haar te gedenken.”

Wat maakt dit stuk voor jou bijzonder?

“Wat ik mooi vind aan dit stuk is dat het de vragen over God stelt, want voor Rebekka is het monotheïstische geloof nieuw, dus zij kan ook die vragen stellen. Hoe zit dat dan? Wat voor God is dat dan? En hoe bid je dan? Gebeurt er dan wat? “

“En daarmee is het denk ik een interessant stuk voor gelovigen en ongelovigen, omdat ze allebei een stem krijgen. Dat geeft het stuk diepgang. Ik stel die vragen zelf ook. In het stuk vraagt Rebekka als eerste: “Heeft God twee stemmen? Hij geeft je een kind maar vraagt daarna of je hem wil offeren.” En dat is een vraag die we allemaal  wel stellen, het is de

vraag naar het lijden. Als God bestaat waarom is er dan zo veel rottigheid in de wereld en doet God daar niks aan? Bestaat rechtvaardigheid dan wel? Dat zijn vragen die ik mezelf als gelovige wil stellen. Maar ik blijf ook geloven dat het uiteindelijk goed komt. Wat Rebekka ook zegt tegen Isaac in het stuk. Misschien heb ik wel geprobeerd iets van de kern van mijn eigen geloof in het stuk te verwoorden. Isaac voelt in het stuk ook alles uit zijn handen glippen, en Rebekka zegt hem dat God bij hem zal blijven. Op een bepaalde manier is Rebekka dus eigenlijk zijn anker en misschien wel zijn God. Ik geloof wel dat dat klopt. Dat we de liefde van God kunnen doorgeven aan elkaar. Misschien kunnen wij voor elkaar een klein beetje God zijn.”